18 februari 2016
Frieda vraagt het gewoon
Toen het gisteren begon te schemeren stond ze plots aan de achterdeur, onze kip Frieda. Helemaal alleen, dus niet in het gewoonlijke gezelschap van haar zusterkip. Ik vond het onmiddellijk verdacht want ten eerste hoorde ze op dit schermeruur al op stok te zitten en ten tweede was het niets voor haar om hier alleen te verschijnen. Nu is het zo dat het kippenhok helemaal achteraan in de tuin staat en dat ze al het gazon en de moestuin moet oversteken om tot bij de achterdeur te komen. Ze moet dus op de een of de andere manier gedacht hebben “dit lukt me niet alleen, ik moet hulp gaan halen”. Ik dus mijn laarzen en regenjas aan en naar buiten. Frieda trippelde onmiddellijk naast me mee zoals een hondje dat geleerd heeft om aan de voet van het baasje te lopen. Verbeeldde ik het me of keek ze dankbaar naar boven zo van “Dankuwel, ik wist dat ik op de mens kon rekenen”. Nee natuurlijk niet, puur mijn projectie van mensengevoelens op een dier.
Aangekomen bij het kippenhok bleek dat ze de avondklok gemist had en buitengesloten was (haar zus zat wel netjes binnen). Je moet weten dat ons kippenhok uitgerust is met een volautomatisch systeem waarbij het deurtje dichtgaat wanneer de lichtsensor detecteert dat het donker genoeg is. Het gebeurde al wel vaker eens dat Frieda niet op tijd ‘onder de veren’ was maar dan ging ze gewoon op het plankje voor het deurtje zitten en probeerde daar de slaap te vatten. Ik vond het dus heel opmerkelijk dat ze er deze keer voor gekozen had om hulp te komen vragen alsof ze wist dat er aan de andere kant van de tuin achter dat verlichte raam een wezen zat dat haar uit de puree kon halen. Een mens kan zich er alleen maar over verwonderen wat er allemaal in zo’n kippebreintje omgaat. De uitdrukking ‘een domme kip’ verdwijnt vanaf nu uit mijn vocabularium.
De pointe van deze leuke anekdote is voor mij is het element van ‘hulp vragen’. Het is blijkbaar iets wat velen van ons moeilijk valt, alsof het een uiting is van zwakte. Zelfredzaamheid en zelfstandigheid staan hoog aangeschreven in onze individualistische maatschappij. Hulp vragen betekent ook je kwetsbaar opstellen. En daar hebben we het moeilijk mee. Een ander aspect is dat wanneer we hulp vragen we als ’t ware een ‘schuld’ opbouwen bij een andere, zeker wanneer we niet direct iets kunnen terugdoen. We storen ook niet graag iemand anders met onze problemen (een vast introzin wanneer je iemand contacteert is vaak “stoor ik niet?”). Daar spreekt – naast zogenaamde beleefdheid – ook een soort van minderwaardigheidsgevoel uit dat heel vaak aangeleerd is in de opvoeding en deeluitmaakt van een familiecultuur. Maar draai het eens om. Wanneer iemand jou om hulp vraagt, denk je dan “Pfff, daar is ze weer, ik heb hier echt geen tijd voor”? Ik dacht het niet. Je zult er je in tegendeel meestal goed bij voelen dat iemand een beroep op je doet. Een hulpvraag kan echt een geschenk zijn voor de ander: je geeft ze de kans om zich belangrijk te voelen in je leven.
Heel vaak zie je dan dat mensen die geholpen werden denken dat ze iets moeten terugdoen (die zogenaamde schuld). Na een verhuis waar vrienden geholpen hebben, wordt vaak een bedank-etentje georganiseerd. Maar meestal zijn je helpers daar helemaal niet mee bezig. Wat hen een goed gevoel geeft is weten hoe blij je bent dat alles opgelost en geregeld is en op zijn plaats staat. Daar denken ze aan als ze na je verhuis naar huis rijden.
Frieda heeft me zeker ook een goed gevoel gegeven door hulp te komen vragen. Ik mag er niet aan denken dat ze de marter tegen het lijf was gelopen in plaats van mij. En haar schuld heeft ze – zonder het te beseffen - al honderdvoudig ingelost door haar lekkere eitjes.